zondag 10 oktober 2010

Grof Volkje

Ju, ju, wat een grof volkje! is een bloemlezing van schimpschriften, protesten, liederen en uitspraken van de Hollanders over hun zuiderburen, de Belgen. De titel is ontleend aan een uitspraak van Lodewijk van Deyssel, maar er staan verder stukken in van onder meer G.A. Bredero, Gerrit Paape, Jacob van Lennep, Willem Kloos en Jan Greshoff.


Het geheel bestrijkt de periode vanaf de 16e eeuw tot en met de 20e eeuw en is samengesteld door Karel Jonckheere.

Het boekje moet een opmaat zijn voor meerdere delen. In dit eerste deel komen de gal en honing aan bod die de Hollanders uitstorten over hun Zuiderburen. De tweede bijdrage zou moeten bestaan uit uitspraken van Vlamingen over Hollanders. Vervolgens een deel over het goede waarmee de Nederlander de Belg-Vlaming heft bedacht en vice versa in deel vier. In totaal moeten er zo elf delen verschijnen. Het is mij echter niet duidelijk of deze ook zijn verschenen, ik moet er eens nader onderzoek naar doen.

Voorlopig deel één dus, met Nederlands commentaar op de Belgen. Die is niet mals in veel gevallen, getuige de Brieven van een Uitwijkeling uit 1787. Gerrit Paape vlucht weg uit Nederland naar Antwerpen tijdens de strijd om de bestuursinrichting in Nederland. Hij schrijft vele brieven naar Nederland:

Tot drank gebruikt men Bier, waarvan men velerlei soorten, zo bruinen als witten heeft. Wijn verschijnt hier zeer zelden op een burgerlijke tafel. Hij is doorgaans (bij ons gerekend), slegt en duur…Versche Visch komt hier ook; doch een Hollander, digt aan Zee gewoond hebbende, moet ze niet proeven…Een Antwerpenaar maakt weinig werk van zijn huis. De Meisjes vooral niet; deez schikken zig op met eene bevalligheid van kleeding, waarbij de Hollandsche schoonheeden verre te kort schieten…Voor ’t overige drijft de huishouding doorgaands op Gods genade voort.

Ook Jakob van Lennep laat zich niet onbetuigd. Hij verhaalt over het feit dat een Nederlandse meid een rapport moet opschrijven omdat een ongeletterde Belgische kapitein dit niet kan.

Wat een diep genot voor de Hollandse burgerij en de notabelen plus magistraat om te vernemen dat inzake beschaving en onderwijs een Hollandse herbergmeid hoger staat dan een Vlaams officier.

Jonckheere verzamelt zo een aantal fragmenten door de eeuwen heen, maar verzuimt ook niet om zelf fijntjes zijn commentaar te geven. Zo krijgt Kees Fens om de oren bij zijn stelling dat het vermeende wanbegrip van Holland ten opzichte van Rubens gelegen is in het Calvinisme. Ook Jeroen Brouwers, onze stilistisch begaafde beroepsmopperaar, wordt op milde wijze de oren gewassen.

Al met al vermakelijke stukken en het maakt nieuwsgierig naar de overige delen. Als iemand bekend is met deel twee waarin Vlamingen hun mening over de Hollander geven, ik hoor het graag.

0 reacties:

Een reactie plaatsen